| Weet je, schat |
| We zien 't soms een beetje zwart |
| Soms lijkt de wereld om je heen |
| Koud en gemeen |
| En je strijdt |
| Omdat de aarde lijdt |
| Maar zelfs als de zon voorgoed verdween |
| Je vecht nooit alleen |
| Want je hebt de tijd, de eeuwigheid |
| De verbeelding aan je zij |
| En je weet: daar zal ik altijd zijn |
| Als je mij belooft dat je blijft geloven |
| Dat een mens krijgt wat hij geeft |
| In je grootste zorg zit de hoop verborgen |
| Dat wie lief heeft overleeft |
| Stil maar, lief |
| Je piekert want 't wil maar niet |
| Ga waar de wind je vleugels vindt |
| Ontstijg je verdriet |
| En je vraagt |
| Wie dan de aarde draagt |
| Kijk naar de zon, de bron, ze scheen |
| Je was nooit alleen |
| Want je hebt de tijd, de eeuwigheid |
| De verbeelding aan je zij |
| En je weet: daar zal ik altijd zijn |
| Als je mij belooft dat je blijft geloven |
| Dat een mens krijgt wat hij geeft |
| In je grootste zorg zit de hoop verborgen |
| Dat wie lief heeft overleeft |
| In je grootste zorg zit de hoop verborgen |
| Dat wie lief heeft overleeft |
| Dat wie lief heeft overleeft |