| Op een mooie maandagmorgen |
| Gaf een man een vrouw een kus |
| Net uit bed en uit gewoonte |
| Naar zijn werk in een volle bus |
| Hij stapte uit en hij stak over |
| Hij keek niet uit en hij kwam onder |
| Een tandem |
| Hij was een geluksvogel |
| Hij werd twee keer overreden |
| Niemand keek toen iemand gilde |
| De laatste keer dat ik je zag |
| Was toen jij mij niet wilde zien |
| Bij het oversteken van de straat |
| Ik schrok |
| Er zijn zoveel van die jassen |
| Je zag er wit en verdrietig uit |
| Ik wilde je nog roepen |
| Maar je was de hoek al om |
| Aarzelend bleef ik staan |
| Ik wilde zeggen |
| Zijn pols werd zwakker |
| Zijn pols werd zwakker |
| Toch werd hij wakker door die schok |
| Hij deed zijn ogen eindelijk open |
| En zag voor het eerst |
| Hij zag voor het eerst |
| En een vrouw boog zich voorover |
| «Dit is een heel vreemd ongeluk» |
| Zei ze toen ze hem teder aankeek |
| «Het is je eindelijk gelukt» |
| De aarde geurde naar benzine |
| «De eerste fase van extase |
| Heet verwondering» zei ze toen |
| Hij knikte ja met zijn pupillen |
| Is er een dokter |
| Is er een dokter |
| Is er een dokter in de zaal |
| Ik heb een goeie dokter nodig |
| Voor het eind van dit verhaal |